Geschiedenis

Uit een brief van Yves Dengis, praeses 1964-1965

In het begin van het academiejaar 1964-65 zat ik in het 3de jaar A1, toen nog in de Schouwvagersstraat. We waren de derde lichting A1-studenten. Ons jaar bestond uit 9 studenten: Luc Roseeuw (uit Roeselare), Berty Haemers (uit Eeklo), Jean-Marie Dekeuwer (uit Afsnee), Jef Denaeyer (uit Aalst), Jan Leën (uit Hasselt), André Serré (uit Waanrode-Diest), Edouard Criel (uit Gent), Broeder Ignace = Alain Devriendt (uit Roeselare) en ikzelf Yves Dengis (uit Genk).

Jan Leën vond dat een hogere studierichting zich verplichtte een studentenclub te hebben. André Serré, onze academicus (hij had zijn complete latijnse humaniora afgelegd), schreef rudimentaire statuten. Broeder Ignace had duizende voorstellen over activiteiten, Luc Roseeuw zou clubfotograaf worden. Jef en Jean-Marie waren onafscheidelijke “karnavalbeesten”. Berty Haemers was een eenzame bierdrinkende jazz-fanaat. Criel was schaakmeester en communist. Ikzelf wilde evenementen organiseren en uitvoeren.

We hadden elke dinsdag één uur oznder cursus in de namiddag. Dat uur werd gebruikt om “Moeder Gutenberg” op poten te zetten. NA een roundup waar iedereen van ons genegenen accoord was, namen wij contact op met de 2A1, het jaar van o.a. Herman Goethals. Zijn vonden ons initiatief ook OK.

Op dat ogenblik waren we nog niet echt gestructureerd. We hadden geen clublokaal, geen linten, geen petjes, geen geld, enz… In afwachting had ik groen-witte lintjes van 2cm breed gekocht in een bonnetterie in de Hoogpoort, waar we later onze mutsjes lieten maken. Voor de Praeses had ik in afwachting een lint van 6cm breed zonder meer gekozen.

Maar toen de vraag viel wie het bestuur zou waarnemen viel alle enthousiasme stil… Na veel vijven en zessen zei ik, “als niemand wil, zal ik het wel doen…” toen iedereen opgelucht riep: “We hebben een praeses”. Ik had dat zomaar gezegd, maar kwam er niet meer onderuit.

Begin november werd de allereerste schachtendoop georganiseerd. Deze vond plaats in de crypte van de groentenhalle. Rond februari gaven wij een bieravond in een café in de buurt van de Vrijdagsmarkt.

In maart organiseerden wij een avond over “seksuele voorlichting” in de Volksmacht op de Poel, ten voordele van de laatstejaars A2 en ook een beetje voor onszelf, want wij wilden ook wat meer weten. Eerst was de directie gekant tegen dit project. Maar na veelvuldig aandringen kregen de A2-ers toch de toelating het internaat (in rij en onder toezicht van de prefect) te verlaten.

In mei, vlak voor de blok, werd de nieuwe praeses verkozen. Hieraan gaat een memorabel verhaal vooraf. Het Praeseslint.

We hadden aanvankelijk geen kas. Dus geen geld. Een praeseslint met flosj kostte in de Papegaaistraat (daar was een winkel van decoraties en militaire eretekens) 3000 frank (in 1965 !) Een fortuin. Ik was dus een gewoon lint gaan kopen: 2 meter groen-wit en 12 cm breed. Ik had de 18-jarige dochter van mijn kotmadam (ik vond ze een héél knap meisje) gevraagd mijn lint te borduren. Zij had nog nooit een naald vastgehouden, maar na enig aandringen beloofde ze me mijn lint af te werken. (zie foto). Onderaan werd een pitsknoopje genaaid om beide lint-einden samen te houden. Tegen de nieuwe praesesverkiezing konden wij gelukkig wel, in de papegaaistraat, een “echt” lint kopen. Deze werd omgehangen aan mijn opvolger Eric Draye (uit Herent).

Eind Juni 1965 na de proclamatie, gaven wij een studentenbal, ook in de Volksmacht op de Poel, als afscheid van onze studententijd.

~ Yves Dengis, Praeses 1964-1965

Uit een brief van Marc De Mey, praeses 1976-1977

September 1975: Een nieuw hoofdstuk wordt aangesneden in mijn leven: ik breek uit het cocon van het Internaat en word gecatapulteerd in het bruisende studentenleven van Gent. Gutenberg Praeses is Antwerpenaar Luc Huys die gesteund wordt door een vitaal praesidium en zijn voorganger Roland L’Hoest. De studentenclub was hoofdzakelijk iets voor de kotstudenten en door een imagoprobleem werd dat soms met twee ss’en geschreven.

De studentes deden voorzichtig hun intrede en ik had de eer dat ene Sabine De Vos -nee, niet de bekende presetatrice en jeugdschrijfster- mijn doopmeter was. Het clubcafé was “De Jean” in de Papegaaistraat. De man en bijhorende bruine kroeg zijn inmiddels verdwenen. Maar dat schooljaar trokken de studenten liever naar “Den Draver” waar Rita D’Haens waardin was. Intussen tapt zij al een kwarteeuw pinten in “De Salamander” aan de Overpoort en daar wellicht een niet meer te breken record aantal jaren als Marraine der Gentse studenten neerzet.

Van onze lichting was Zelenaar Eddy Van Acker de studentikoziteit in hoogsteigen persoon: notoir kroegbezoeker, onklopbaar in het kickeren (tafelvoetbal) en bijganaamd “Bolleke”. Dit had niks te maken het gelijknamige product van Brouwerij De Koninck maar alles met zijn profiel (hum).

Maar Eddy ambieerde de functie van Vice-Praeses en deed daarvoor het nodige lobby-werk. Lees: veel pinten aan het afscheidnemend praesidium.

Bruggeling Herman Walleyn werd zedenmeester, hetgeen een uitstekend perspektief bood om de “schachtinnekes” -ook wel een beetje onbiedwaardig “porren” genoemd- met open armen te ontvangen. Sportpraeses was Wingenaar Pol Creytens. Secretaris de man uit Wakken: Eddy Carton. Cantor was Luc Van Mechelen uit Broechem. And last but not least onze penningmeester: Guy Eeman, de boomlange Aalstenaar, bezeten van inkt en andere alcoholische vloeistoffen.

Praeses Luc Huys gaf mij de raad om lid te blijven van het S.K. Ghendt (senioren konvent) zodat de Gutenbergers zich konden laven aan de bron van studentikoziteit.

Praesidium 1976-1977Het academiejaar 1976-77 begon met een onderhoud met Broeder Directeur Buggenhout waar met enige ironie de vraag gesteld werd of ik de traditie zou verderzetten. Welke traditie ? Dat de praeses NIET slaagt voor zijn examens. We erfden een schuld van om en bij de 1500 frank, het aantal kotstudenten nam af, er kwamen meer ontspanningsmogelijkheden, de studentenkamers werden ruimer en comfortabeler en uit de nasleep van mei ‘68 verscheen een groep studenten die het niet begrepen hadden op “de clubs”, hun decadente dopen, de bachanale cantussen en de rolatributen: pet lint en codex.

Alles behalve een gunstig gesternte voor het 13de jaar Gutenberg dus.

Wij betaalden zelf ons studentenlint: 1500 frank bij Christiaensen in de Papegaaistraat. Voor datzelfde bedrag konden wij dat jaar een vat van 50 liter (goed voor 195 pintjes) geven in Den Draver. De pintjes kosten toen 13 frank.

De doopcantus vond plaats in den Dixie in de Lammerstraat (tussen de Vooruit en Kuiperskaai) met de gebruikelijke ingrediënten waarmee nu een Turkse Bakkerij draaiende gehouden wordt: bloem, eieren, ketchup…. en vooral veel pinten bier, want een ad fundum met hete thee was schadelijk(er) voor de gezondheid.

Oudenaarde was niet alleen mijn geboortestad, maar ook de bakermat van Brouwerij Roman (Mater) en hoofdleverancier van Den Draver. Met medewerking van Jeugdvriend en brouwerszoon Filiep Clarysse en mijn nonkel kotbaas (Milk-sjeik, melkboer) Leontin Van Hove gaven wij een cantus in de grote kelder mijn kot. Het Oudenaards Bruin bier Felix kwam uit 75 cl flessen en de schacht van dienst hield een paar blaren over aan het ontkurken. ’s Anderendaags werd het begrip: bruin bier bevordert de darmtransit, in geuren en kleuren geïllustreerd.

Moeder Gutenberg deed het niet slecht: er waren naast de olbilgate cantussen tal van andere activiteiten, zoals een theatervoorstelling van cabaretier Henk Elsink, Bioskoopbezoek, Schaatsavond, Muziekavond waar ook de laatstejaars van het middelbaar warmgemaakt werden voor de studentenclub.

Voor de inkomsten waren de lidgelden ontoereikend en daarom organiseerden we T-dansants in De Rooden Hoed (Klein Turkije) en in de Kuiperskaai.

In de sportcompetities van het S.K. Ghendt: loopwedstrijd Dwars door Gent en de zwemkampioenschappen haalde Gutenberg mooie resultaten.

Ik leerde er de praeses van de Dijlebrassers kennen, een 20-jarige Mechelaar die een maand jonger was dan ik en toch al in het 3de jaar zat (1ste Licentie Germaanse). Hij sterkte mij in de overtuiging dat succesvol studeren en studentikoze activiteiten wel degelijk konden samengaan. We hadden beiden dezelfde voornaam ofschoon hij Mark met K was maar hij was “ad rem” en scherp van geest als geen ander. Hij werd verkozen tot Senior Seniorum van het S.K. Ghendt, ik tot Vice Senior Seniorum. Zijn naam: Mark Uytterhoeven.

Na de rolderklacht gaf onze ploeg de fakkel door aan het nieuwe praesidium onder leiding van Geluwenaar Luc De Schildere met een klein kassa-overschot. Na de proclamatie stapte Broeder Directeur Buggenhout recht op mij af met de welgemeende felecitaties: een schamele 62% maar wel geslaagd op 20-jarige leeftijd. Het voorzitterschap staat niet op mijn CV, maar was wel een belangrijke, leerrijke en vooral plezante episode.

~ Marc De Mey, Praeses 1976-1977

SoVoArteLab9Esko Artwork

Drukkerij FieuwsTelevicArteveldehogeschoolCR Solutions